Displaying 1 - 9 of 9
-
Harbusch, K., & Kempen, G. (2002). A quantitative model of word order and movement in English, Dutch and German complement constructions. In Proceedings of the 19th international conference on Computational linguistics. San Francisco: Morgan Kaufmann.
Abstract
We present a quantitative model of word order and movement constraints that enables a simple and uniform treatment of a seemingly heterogeneous collection of linear order phenomena in English, Dutch and German complement constructions (Wh-extraction, clause union, extraposition, verb clustering, particle movement, etc.). Underlying the scheme are central assumptions of the psycholinguistically motivated Performance Grammar (PG). Here we describe this formalism in declarative terms based on typed feature unification. PG allows a homogenous treatment of both the within- and between-language variations of the ordering phenomena under discussion, which reduce to different settings of a small number of quantitative parameters. -
Kempen, G., & Harbusch, K. (2002). Performance Grammar: A declarative definition. In A. Nijholt, M. Theune, & H. Hondorp (
Eds. ), Computational linguistics in the Netherlands 2001: Selected papers from the Twelfth CLIN Meeting (pp. 148-162). Amsterdam: Rodopi.Abstract
In this paper we present a definition of Performance Grammar (PG), a psycholinguistically motivated syntax formalism, in declarative terms. PG aims not only at describing and explaining intuitive judgments and other data concerning the well–formedness of sentences of a language, but also at contributing to accounts of syntactic processing phenomena observable in language comprehension and language production. We highlight two general properties of human sentence generation, incrementality and late linearization,which make special demands on the design of grammar formalisms claiming psychological plausibility. In order to meet these demands, PG generates syntactic structures in a two-stage process. In the first and most important ‘hierarchical’ stage, unordered hierarchical structures (‘mobiles’) are assembled out of lexical building blocks. The key operation at work here is typed feature unification, which also delimits the positional options of the syntactic constituents in terms of so-called topological features. The second, much simpler stage takes care of arranging the branches of the mobile from left to right by ‘reading–out’ one positional option of every constituent. In this paper we concentrate on the structure assembly formalism in PG’s hierarchical component. We provide a declarative definition couched in an HPSG–style notation based on typed feature unification. Our emphasis throughout is on linear order constraints. -
Kempen, G., & Van Breugel, C. (2002). A workbench for visual-interactive grammar instruction at the secondary education level. In Proceedings of the 10th International CALL Conference (pp. 157-158). Antwerp: University of Antwerp.
-
Kempen, G., & Harbusch, K. (2002). Rethinking the architecture of human syntactic processing: The relationship between grammatical encoding and decoding. In Proceedings of the 35th Meeting of the Societas Linguistica Europaea. University of Potsdam.
-
Kempen, G. (1981). De architectuur van het spreken. TTT: Interdisciplinair Tijdschrift voor Taal & Tekstwetenschap, 1, 110-123.
-
Kempen, G., & Van Wijk, C. (1981). Leren formuleren: Hoe uit opstellen een objektieve index voor formuleervaardigheid afgeleid kan worden. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 3, 32-44.
-
Kempen, G., & Fokkema, S. (1981). Ten geleide. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie en haar Grensgebieden, 36, 345-346.
-
Kempen, G. (1981). Taalpsychologie. In H. Duijker, & P. Vroon (
Eds. ), Codex Psychologicus (pp. 205-221). Amsterdam: Elsevier. -
Van Wijk, C., & Kempen, G. (1981). Het effect van sociale klasse en gesprekssituatie op het gebruik van connectieven in mondeling en schriftelijk taalgebruik. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 3, 203-209.
Abstract
Van den Broeck (1977, 1980) heeft een pragmatische interpretatie voorgesteld voor de verschillende wijzen waarop leden van hogere en lagere sociaal-economische klassen hun taaluitingen syntaktisch struktureren. Ter ondersteuning hiervan presenteerde hij gegevens m.b.t. gemiddelde zinscomplexiteit bij sprekers uit twee sociaal- conomische klassen in formele en informele gesprekssituaties. Het in dit artikel gerapporteerde onderzoek slaagt er niet in van den Broeck's uitkomsten te repliceren. Waarschijnlijk berusten ze op een contaminatie van gesprekssituatie met taalkeuze (standaardtaal vs. lokaal dialekt). Mede op basis van de nieuwe gegevens wordt i.p.v. de pragmatische interpretatie een vaardigheidsinterpretatie voorgesteld. T.g.v. vooropleiding en beroep beschikken leden van verschillende sociaal- economische klassen over uiteenlopende vaardigheidsniveaus in verhalend (narrative) en verklarend (expository) taalgebruik. Dit uit zich in het gebruik van connectieven: funktiewoorden die logischsemantische relaties tussen proposities uitdrukken.
Share this page